Apologeten: Aristides van Athene

24 januari 2024

Nadat Eusebius wat heeft verteld over Quadratus, noemt hij kort Aristides. Deze heeft een verdediging van het geloof geschreven gericht aan keizer Hadrianus (r. 117-138). In zijn Kroniek vermeldt Eusebius dat Aristides een Atheens filosoof was. Sinds eind 19e eeuw heeft men verschillende manuscripten van dit werk gevonden, in verschillende talen, ook in het oorspronkelijke Grieks. De Britse geleerde Rendel Harris ontdekte een Syrische vertaling in het Catharinaklooster in de Sinaï. Achteraf stelde men vast dat de Griekse tekst die daaraan ten grondslag lag voor het grootste gedeelten reeds bekend was; als onderdeel van de Byzantijnse roman ‘Vita Barlaam et Joasaph’, dat op naam stond van de Griekse kerkvader Johannes Damascenus (676-749). Daarnaast werden nog enkele Griekse papyrusfragmenten gevonden en een gedeeltelijke Armeense vertaling.

In zijn apologie vroeg Aristides de keizer of zijne doorluchtige hoogheid dan niet wist dat de mensheid bestond uit drie klassen van mensen? “Want het is ons duidelijk, Sire, dat er drie mensengeslachten zijn in deze wereld: namelijk zij, die de goden aanbidden, welke bij u in ere zijn, en Joden en christenen.” Dan gaat Aristides de religieuze overtuigingen van deze drie groepen mensen beschrijven en beoordelen. Hij vangt aan met zij “die de goden aanbidden.” Hij verdeelt die in Chaldeeën, Grieken en Egyptenaren. De Chaldeeën vereren natuurelementen als goden: de hemel, aarde, water, vuur, winden, hemellichamen, en andere. Belachelijk natuurlijk; is vuur een god? Vuur dat zomaar door mensen kan worden geblust? “Daarom kan men niet aannemen dat het vuur een God is, maar wel een werk van God.” Wat de Grieken vereren is zo mogelijk nog dwazer. Hun goden zijn opvliegend, na-ijverig, ontsteken al te vlug in woede, sterven zelfs, en zij bedrijven allerlei schandelijke dingen: zij moorden, verkrachten, stelen. Die kritiek was niet nieuw. Al in de 6e eeuw v.Chr. bekritiseerde de Griekse filosoof Xenophanes hoe de Griekse dichters Homerus en Hesiodus de goden hadden geportretteerd: “Alles wat bij de mensen schandelijk en verkeerd is, hebben Homerus en Hesiodus aan de goden toegeschreven: stelen, echtbreken en elkaar bedriegen.” Zowel Joden als christenen maakten dankbaar gebruik maken van de kritiek der filosofen. Aristides bespreekt dan de Egyptenaren. Die spannen wel de kroon als het om domheid gaat, “want zij waren niet tevreden met wat Chaldeeën en Grieken vereerden, maar daarenboven hebben zij ook nog redeloze dieren als goden voorgesteld.” Schapen, bokken, kalveren, biggen, raven, en vele andere dieren worden genoemd, maar de Egyptenaren “bemerken niet, de ongelukkigen, omtrent al deze dingen, dat zij niets vermogen.” Over het geloof van de Joden vervolgens wordt nauwelijks iets gezegd. Behalve dat de ene God hen dan wel met machtige hand uit Egypte had geleid, dat hen niet weerhouden had de afgoden van de heidenen te dienen en hun eigen profeten te doden. En toen de Zoon van God kwam “leverden zij hem, na hem schandelijk verworpen te hebben, over aan Pilatus, de landvoogd der Romeinen en veroordeelden hem tot de kruisdood.” De christenen echter belijden deze Christus als de Zoon van God, “van de hemel neergedaald ter wille van het behoud der mensen.” Het is duidelijk, verzekert Aristides de keizer: “De christenen echter, Sire! hebben, daar zij rondtrokken en zochten, de waarheid gevonden.” Wat vervolgens ook blijkt uit hun voortreffelijke levenswandel. Van de overige ‘volken’ kan slechts besloten worden dat zij dwalen, rondtasten in het duister, weigeren de waarheid te erkennen, als dronken wankelen zij, stoten tegen elkaar en vallen.

Share This