Apologeten: Justinus de martelaar

25 januari 2024

In zijn Dialoog met Trypho (rond 160) vertelt Justinus Martyr hoe hij als heiden wijsheid zocht bij een stoïcijn, een peripateticus, een pythagoreeër en een platonist. De drie eersten waren een teleurstelling maar de platonist sprak hem wel aan. Daarna ontmoette hij een oude man die Justinus wees op de profeten die de komst van Christus, Gods Zoon, hadden voorzegd. Justinus werd christen. Zijn bijnaam ‘Martyr’ of ‘de Martelaar’ kreeg hij doordat hij de marteldood stierf onder keizer Marcus Aurelius. Justinus was voor zijn bekering platonist, maar zou ook als christen de filosofenmantel blijven dragen. We hebben van zijn hand nog twee apologieën en zijn Dialoog met Trypho; in die laatste betoogde hij dat het christendom de ware filosofie is.

De ‘christelijke filosofie’ was in overeenstemming met de rede. Justinus ging uit van de universele Logos (of de goddelijke rede) die bij God bestond van in het begin. God zelf was transcendent, onveranderlijk, volmaakt en eeuwig, Hij was de laatste oorzaak van de wereld, een onveranderlijk ‘Zijn’. Zo dachten destijds alle geleerden over God, of zij nu heiden, jood of christen waren. Al vóór de wereld bestond, was de Logos uit God voortgekomen, deze had de wereld geschapen en was geïncarneerd in Jezus. Maar ook elk mens had een partikel van die Logos in zich. Eenieder die leefde in overeenstemming met de rede, kon christen genoemd worden, vond Justinus: “En zij die volgens de Logos leefden, zijn christenen, ook al werden ze als goddeloos beschouwd, zoals bij de Grieken Socrates, Heraclitus en anderen van hun niveau.” Wat die filosofen zeiden was wel waardevol, maar nogal onvolledig, soms fout: “Die schrijvers konden allen door de in hen wonende aangeboren kiem van de Logos vagelijk het ware zijnde zien.” Vandaar dat Christus’ komst toch noodzakelijk was. Desalniettemin: “Wat nu bij al deze schrijvers voortreffelijk gezegd is, dat kunnen wij, christenen, het onze noemen.”

Eerste apologie

Het is een vrij lange apologie en men vraagt zich af of keizer Hadrianus en zijn beide zonen, tot wie zij gericht was, wel het nodige geduld hebben kunnen opbrengen om dit geschrift te doorworstelen. Hier zullen we slechts enkele belangrijke thema’s noemen.

Zoals Aristides verwerpt ook Justinus het geloof in godenbeelden, die immers door mensenhanden zijn vervaardigd. Het heeft ook geen zin voor de ware God bloedige offers te brengen, wel gepast zijn gebed, dankzegging, lofzangen en hymnen. Het bijgeloof van de Perzen en Egyptenaren, met hun verering van natuurelementen en dieren, wordt ook hier afgewezen: “Maar wij zien hoe het ene volk hier, het andere daar bomen, rivieren, muizen, wilde katten, krokodillen, ja het merendeel van de redeloze dieren vereert.”

Christenen onderscheiden zich door hun voorbeeldige levenswandel. Zij leggen pasgeborenen niet te vondeling, zij laten zich niet in met prostitutie. Seksualiteit wordt alleen binnen het huwelijk gewaardeerd, met het ook op het verwerven van een nageslacht. Of men kiest voor seksuele onthouding. Wie christen wordt verandert zijn leven:

Wij die vroeger opgingen in ontucht, hebben nu slechts belangstelling voor kuisheid. Wij die ons met magische praktijken bezighielden, hebben ons nu aan de goede en onverwekte God toegewijd. Wij die het verwerven van geld en bezit boven alles stelden, brengen nu zelfs ons bezit bijeen en laten iedere behoeftige daarin delen.

Justinus verwijst naar heel wat woorden van Jezus uit de Bergrede, vooral over kuisheid. Zo moet men zelfs niet met begeerte naar een andere vouw kijken. Dat is nog eens wat anders dan het voorbeeld dat Zeus ons nalaat, die zijn “begeerte naar liederlijke lust” botvierde op vele vrouwen.

De beschuldiging dat Christus zijn wonderen verrichtte door middel van toverkunsten, en zo de “indruk wekte Gods zoon te zijn,” wordt weerlegd door en hele lange opsomming van bijbelse profetieën waarin de komst van Christus voorzegd werd, waarin zijn leven op aarde werd beschreven:

In de boeken van de profeten vinden wij voorzegd dat Jezus, onze Christus, zou verschijnen, geboren worden uit een maagd en een volwassen man worden. Verder dat Hij iedere ziekte en iedere kwaal zou genezen, dat hij gehaat, miskend en gekruisigd zou worden, dat Hij zou verrijzen en opstijgen ten hemel, dat Hij Zoon van God was en aldus geheten, dat er sommigen door Hem naar alle volkeren zouden worden uitgezonden om deze boodschap te brengen en dat zij die uit de heidenen stamden meer (dan de Joden) in Hem zouden geloven.

Eindeloos lijkt wel de opsomming van profetieën van Mozes, Jesaja, Micha, de Psalmen, Jeremia, Daniël, Ezechiël, Zacharia en Joël. Er zat ook een risico aan al die profetieën: “Toen de demonen van deze profetische woorden gehoord hadden,” brachten ze allerlei surrogaatfiguren in het veld: Dionysus was verscheurd en opgestegen ten hemel, Perseus werd geboren uit Danaë, verwekt door een gouden regen van Zeus. En Asclepius werd aangesteld als wonderlijke genezer. Alleen de kruisiging, die bootsten de demonen niet na. Niet tevreden met het kopiëren van Christus in allerlei mythen, schoven ze bedenkelijke figuren naar voor, zoals Simon de tovenaar die velen begoochelde, of Marcion die nog anderen verleidde tot zijn waanzin.

Bij de opsomming van de vele profetieën over Jezus wordt nog opgemerkt dat Gods voorkennis niet hetzelfde is als een onomkeerbaar lot – dat de mens van verantwoordelijkheid zou vrijpleiten. Er komt vergelding voor iemands daden, ten goede of ten kwade. Justinus bevestigde dat de hellevlammen eeuwigdurend brandden. Hij verwees daarbij naar wat Plato had gezegd over een oordeel:

Plato heeft overigens een soortgelijke uitspraak gedaan, namelijk dat Rhadamanthys en Minos de misdadigers zullen straffen, wanneer deze voor hun rechterstoel zijn verschenen. Wij van onze kant nemen eveneens aan dat dit eens zo zal gebeuren, maar dan met Christus als rechter en verder dat de misdadigers in hun vroegere lichamen, die gebonden zijn aan hun zielen, een straf zullen ondergaan, die eeuwig duurt en niet slechts een tijdvak van duizend jaar zoals Plato beweerde.

Justinus spreekt van een “eeuwig vuur” en verwijst naar een uitspraak van de profeet Jesaja. “Deze luidt: ‘Hun worm zal niet rusten en hun vuur niet worden geblust.’ En dan zullen ze tot inkeer komen, wanneer het hen niet meer zal baten.” Wie echter Christus nagevolgd zijn zullen vrij zijn van alle lijden.
Justinus herinnert de keizer en zijn twee zonen aan het levenseinde van de vroegere keizers. Algemeen bekend was dat die niet allemaal voorbeeldig leefden. En zoals Plato vond dat schurken hoorden gestraft te worden en algehele vergetelheid dus ongepast was, zegt ook Justinus: “zou dit [de dood] een overgang naar een volledig verlies van bewustzijn inhouden, dan zou dat een buitenkans betekenen voor alle slechte mensen.” Die ontliepen dan immers elke straf. Maar zo is het niet, verzekert ons Justinus, het bewustzijn blijft bestaan en er ligt een eeuwige bestraffing in het verschiet. Dat mensen in afwachting in het dodenrijk verblijven en daar op een of andere manier ‘bestaan’ weten ook de heidenen. Die raadplegen toch de gestorvenen? Die roepen toch mensenzielen op? “De praktijken van de experts op dat gebied moeten u ervan overtuigen, dat de zielen ook na de dood aan gewaarwordingen onderhevig zijn,” besluit Justinus. En er is meer: “Verder kan u overtuigen wat de schrijvers ons leren: Empedocles en Pythagoras, Plato en Socrates, de bij Homerus genoemde kuil, de afdaling van Odysseus naar de onderwereld om dit alles met eigen ogen te aanschouwen […].” Justinus kende zijn klassieken. Verderop besluit hij kernachtig: “De hel nu is de plaats waar zij die misdadig geleefd hebben en niet geloven dat al wat God door Christus geleerd heeft zal geschieden, zullen worden gestraft.”

Justinus eindigt met te vertellen hoe het er aan toegaat bij de doop, wat vergeving van zonden, hoe christenen het avondmaal vieren tijdens hun zondagse samenkomst. Onverschrokken waarschuwt hij de keizer: “Want wij zeggen u van te voren dat u, blijft u in de boosheid volharden, niet aan het gericht Gods zult ontkomen dat eens zal plaatsvinden. En wij zullen daarbij roepen: ‘Wat God aangenaam is, laat dat gebeuren.’”

Share This