Athenagoras: smeekschrift aan keizer Marcus Aurelius

30 januari 2024

Van Athenagoras van Athene (133-190) werden twee werken bewaard: zijn ‘Smeekschrift’ en een verhandeling over de opstanding. In andere vroegchristelijke literatuur wordt nauwelijks naar hem verwezen. Rond 300 n.Chr. geeft Methodius van Olympus een citaat van hem weer, en Philippus van Side (rond 430) noemt hem in een bewaard gebleven uittreksel van zijn ‘christelijke geschiedenis’ als iemand die de filosofenscholen van Athene en Alexandrië bezocht voordat hij zich tot het christendom bekeerde. Pas in de 10e eeuw vond de Grieks Orthodoxe aartsbisschop Arethas van Caesarea – een verwoed verzamelaar van o.a. patristische teksten – een manuscript van Athenagoras dat hij liet kopiëren en van verklarende aantekeningen voorzag. Op deze kopie wordt de uitgaven van de tekst gebaseerd.

Het smeekschrift is gericht aan de bekende filosofenkeizer Marcus Aurelius en diens zoon Commodus. Omdat die laatste de keizertitel pas in 176 ontving, moet het werk na deze datum geschreven zijn. En omdat Athenagoras spreekt van een ‘diepe vrede’ zal het werk vóór 178 geschreven zijn, want daarna was het met die diepe vrede al afgelopen; gezien de oorlog tegen de Marcomannen aan de noordgrens van het rijk. Ook heeft Athenagoras het over christenen die slaven hebben van wie niemand “valse beschuldigingen tegen ons inbrengt,” terwijl in 177 in Zuid-Gallië een christenvervolging uitbrak waarbij valse beschuldigingen door slaven juist een rol speelden.

Het werk van Athenagoras is geschreven volgens de geldende retorische regels, met heel wat citaten van dichters en filosofen – die men toentertijd makkelijk kon raadplegen in boeken met hun verzamelde uitspraken. Athenagoras gebruikt ook stoïsche argumenten, wat niet vreemd is als je je richt tot een filosoof die stoïcijn is. Athenagoras verwijst wel naar christelijke bronnen, maar gebruikt vooral filosofische argumenten in zijn verdediging van christendom. Rustig en weloverwogen stelt hij zijn argumentatie op. Hij spreekt de keizers, vader en zoon als volgt aan:

In uw wereldomvattend rijk, machtigen onder de vorsten, komen veelsoortige zeden en gebruiken voor en niemand wordt door een wet of een afschrikwekkende straf ervan weerhouden de traditionele gebruiken in ere te houden, zelfs al zijn ze belachelijk.

Want men moet toegeven dat sommige gebruiken belachelijk zijn, zo noemt Athenagoras de “katten, krokodillen, adders en honden” die de Egyptenaren als goden beschouwen. Maar wat men ook geloof, allen worden ze door de keizer “met gelijke achting bejegend en geniet heel de wereld door uw inzicht van een weldadige vrede.” Behalve de christenen dus. Die worden alleen al om hun naam ‘christen’ vervolgd en om de ongegronde roddels die de ronde doen. Athenagoras vraagt de keizer niets meer dan een rechtvaardig proces. De verwijten – de roddels – die men christenen maakt zijn goddeloosheid, Thyeïstische maaltijden en Oedipeïsche incest; we kwamen ze al eerder tegen.

Eerst wil Athenagoras de beschuldiging van goddeloosheid weerleggen. Christenen aanbidden geen goden vervaardigd uit materie, maar zij eren wel de ongeschapen en eeuwige God, die “alleen voor de geest en de rede zichtbaar” is. Hij wijst daarbij op de prachtige ordening en de harmonie in de kosmos – zoal ook de stoïcijnen plachten te doen. Athenagoras noemt dan een aantal dichters en filosofen die ook uit de werken der natuur spraken over één God, zoals Sophocles: “Eén in waarheid, één is er God die de hemel schiep en de uitgestrekte aarde.” Maar wat bij filosofen een vermoeden was, is bij christenen een zekerheid. De bijbelse profeten werden geïnspireerd door de goddelijke geest, die zich van hen bedienden “als een instrument, zoals een fluitist zijn fluit vult met zijn adem.” Welnu, besluit Athenagoras:

Wij zijn dus niet goddeloos. Dat wij één God belijden, die ongeschapen is, eeuwig, onzichtbaar, niet aan passies onderhevig, niet te bevatten, niet te begrenzen, die alleen door de geest en de rede verstaan wordt, die in onbeschrijflijke schoonheid, geest en macht gehuld is, door wie het heelal geschapen, geordend is en wordt samengehouden door middel van Zijn Woord, dat heb ik reeds in voldoende mate aangetoond.

Christenen noemen dit Woord, de Logos, ook Gods Zoon, door dewelke alles geschapen werd. Die logos was van eeuwigheid in de Vader en kwam uit de Vader voort. Hij was de vormende kracht van het stoffelijke. Ook de heilige Geest stroomt uit God en inspireert profeten. “Wie zou dus niet in verlegenheid raken als hij zou vernemen dat zij goddeloos genoemd worden die een God de Vader, een God de Zoon en een Heilige Geest vereren en die zowel hun macht in de eenheid als hun onderscheid in rang aantonen?” – een vroege formulering van de Drie-eenheidsleer.

Christenen, zo betoogt Athenagoras nog, bezitten een innerlijke reinheid, zozeer dat ze hun vijanden liefhebben en scheldpartijen beantwoorden met zegeningen. Vele christenen zijn eenvoudige lieden die niet de gave van het woord hebben maar die door hun daden hun geloof belijden: zij beminnen hun naasten als zichzelf. Christenen weten dat zij voor hun levenswandel verantwoording aan God verschuldigd zijn.
Het klopt dat christenen geen offers brengen, “de schepper en vader van het heelal heeft geen bloed of vetwalm nodig, geen bloemengeur of wierook.” (Dat beweerden reeds Euripides en Plato). In feite is het belangrijkste offer dat men God kan brengen de erkenning dat hij de hemelen en de aarde geschapen heeft. Dat christenen niet dezelfde goden eren als veel anderen, is ook waar. Maar onder de volken zijn er heel wat lieden die de goden van anderen evenmin aanbidden. Hier volgt weer een verwijzing naar de Egyptische godsdienst: “Is wat de Egyptenaren doen niet volslagen lachwekkend? […] Ze vereren immers zelfs de dieren als goden.” Het is ook waar dat christenen niet buigen voor beelden “omdat wij de stenen en de stukken hout, het goud en het zilver niet als goden beschouwen.” Zoals er een verschil is tussen de kunstenaar en het kunstwerk, is er ook een verschil tussen de Schepper en de schepping; “men moet evenwel niet de kosmos, maar de maker ervan aanbidden.” Athenagoras gaat echter iets dieper in op de kwestie van de godenbeelden.

Over het algemeen geloofden heidenen dat de godheid leefde in het beeld, of ten minste dat de smeekbeden bij het beeld zouden gehoord worden, al was het beeld nooit identiek met de godheid. Bij beelden en in tempels gebeurden ook wonderen, vooral genezingswonderen, zoals iedereen wist. Athenagoras ontkent dat niet. Alleen waren het volgens hem geen goden maar demonen die door deze wonderen de mensen misleiden. “Dat op sommige plaatsen, bij sommige steden en volkeren, zich bepaalde werkingen [bij standbeelden] manifesteren, willen ook wij niet weerspreken. Maar allerminst […] beschouwen wij hen die zowel in de ene richting als in de andere actief waren als goden.” Die demonen waren de gevallen engelen die zich aan de dochters der mensen hadden vergrepen en waaruit de giganten voortkwamen. Die demonen waren trouwens dol zijn op offers: “En zij die hen meesleuren rondom de afgodsbeelden zijn de voornoemde demonen, die gehecht zijn aan het bloed van de offerdieren, die ze rondom aflikken.” Die demonen inspireerden vervolgens sommigen tot ontmanning, deden anderen zich in het lichaam kerven en snijden, en weer anderen takelden zichzelf toe met zwaarden en zwepen.

En dan die fabuleuze verhalen over goddeloze maaltijden en incestueuze verhoudingen onder christenen. Het liederlijke gedrag van de Griekse goden was eenieder bekend, maar onder christenen gold het voorschrift dat de man slechts gemeenschap had met zijn eigen vrouw, “en wel alleen met het oog op het verwekken van kinderen.” Dat was toentertijd trouwens ook onder stoïcijnen het na te streven ideaal. Zelfs hertrouwen nadat de partner overleden was, vond Athenagoras een vorm van echtbreuk: “Want wie zich ontdoet van zijn eerste vrouw, zelfs al is ze gestorven, is een verkapte echtbreker.” Daar kwam nog bij dat Jezus had onderwezen dat wie naar een vrouw keek om haar te begeren ook echtbreuk pleegde in zijn hart. Hoe dan, vraagt Athenagoras, zouden christenen zich kunnen uitleven in wilde hartstochten zoals men die bij de Griekse goden aantreft?

En dan de beschuldiging van kannibalisme. Anders dan bij velen gebruikelijk was, weigerden christenen kinderen te aborteren. “En wij die verklaren dat de vrouwen die middelen gebruiken om abortus te plegen een moord op hun geweten hebben en aan God voor een afdrijving verantwoording schuldig zullen zijn, hoe zouden wij een mens kunnen doden?” Dat zou al te inconsequent zijn. Zelfs een pasgeborene zouden christenen niet te vondeling leggen, terwijl ze uiteraard niet overgingen tot infanticide. Athenagoras geeft nog een argument: het geloof in de opstanding. “Wie die in de opstanding gelooft zou zich als graf willen aanbieden voor lichamen die weer zullen verrijzen?” Wie gelooft dat lichamen zullen verrijzen kan iemand niet opeten alsof ze niet weer zullen opstaan. Alleen iemand die niet gelooft in de opstanding, en niet gelooft in een oordeel, zou zoiets kunnen doen.

Omdat Athenagoras weet dat de keizer in alle opzichten goed, gematigd en humaan is, en de valse beschuldigingen nu ontzenuwd zijn, heeft hij goede hoop op een vreedzaam en rustig leven, ook voor christenen. Wij weten niet of Marcus Aurelius deze apologie wel gelezen heeft. Indien wel heeft ze weinig indruk op hem gemaakt. Onder zijn bewind werden christenen hier en daar vervolgd; de ‘martelaren van Lyon en Vienne’ zouden nog lang in het geheugen van christenen blijven en ook Justinus de Martelaar stierf in die tijd. Juist voor de martelaren kon de keizer geen respect opbrengen. Weliswaar kon hij mensen bewonderen die bereid waren te sterven voor een nobele zaak,

Die bereidheid moet echter het resultaat zijn van een specifieke beslissing, niet van pure koppigheid, zoals bij de christenen, maar weloverwogen en waardig, zodat het ook voor anderen overtuigend is, zonder theatraal vertoon.

Verder blijkt nergens uit dat de keizer zich erg druk maakte over die christenen.

Share This