Drie boeken aan Autolycus

1 februari 2024

Er is niet zoveel bekend over Theophilus, bisschop van Antiochië (ca.110 – ca.183). Hij is uit Assyrië afkomstig en heeft een degelijke Helleense opvoeding en opleiding genoten, zoals men kan zien aan zijn aanhalingen van Griekse dichters en filosofen, en zijn gebruik van de retorische stijlmiddelen. Hij is niet als christen opgevoed, maar is door lezing van de Schrift tot het christelijk geloof overgegaan. Hij is met name door de bijbelse profeten tot erkenning van de waarheid gekomen. “Ik heb dus het bewijs van de gebeurtenissen, die zijn uitgekomen, nadat ze zijn voorspeld en ik ben niet ongelovig: in tegendeel, ik geloof om aan God te gehoorzamen.” Theophilus schreef een aantal werken, enkele tegen dwaalleraars, enkele catechetische boeken, commentaren op de evangeliën en Spreuken, die echter niet bewaard bleven. In de wel bewaarde ‘Drie boeken aan Autolycus’ legt hij het christelijk geloof uit aan een heiden: over de ene God, schepper van de mens die hem gehoorzaamheid verschuldigd is en zal geoordeeld worden bij de opstanding.

“Hij is de opvoeder van de gelovigen en de vader van de rechtvaardigen, de rechter en de uitvoerder van de bestraffing van de goddelozen.” Zo af en toe vernemen we enige dreiging, hier wordt niet zomaar wat vrijblijvend wat informatie verstrekt voor de nieuwsgierige. Over de opstanding wordt gezegd dat Autolycus de Onsterfelijke zal zien, “op voorwaarde nu al in hem te geloven. Dan zul je ook erkennen dat je ongelijk had heftig tegen hem uit te varen.” Theophilus spreekt de wens uit dat zijn vriend tot geloof zal komen: “Erken zijn gezag en geloof in hem uit vrees dat jij, die nu niet gelooft, eerst in grote droefheid gelooft op de dag van het laatste oordeel.” Dan zal het namelijk te laat zijn. Theophilus eindigt zijn eerste boek met een ernstige waarschuwing: zij die niet geloven maar spotten met de waarheid, die een leven leiden van losbandigheid, pederastie, misdadige afgoderij, “aan hen komt toe de toorn, de verontwaardiging, de onderdrukking en de angst; en op het einde, zullen zij toebehoren aan het eeuwige vuur. Omdat je mij geantwoord hebt, mijn vriend: ‘Toon mij jouw God’ – ziedaar mijn God. En ik raad je aan hem te vrezen en in hem te geloven.”

Theophilus heeft ondertussen al uitgelegd dat de God van de christenen eeuwig is, onveranderlijk en onsterfelijk. Hij heeft het heelal geschapen opdat wij door zijn werken zijn grootheid zouden leren kennen. Zoals gebruikelijk worden ook in deze apologie de Grieks-Romeinse goden bekritiseerd: Kronos verslond zijn kinderen, Zeus is berucht om zijn overspelige daden, Dionysius maakt dronken, Attis verminkte zichzelf, en ook de Egyptische goden worden niet vergeten: “Zal ik hiermee beëindigen met de opsomming van de vele dieren die de Egyptenaren aanbidden? Slangen, reptielen, wilde dieren, vogels, vissen van de rivier?” Die goden, in beelden gevormd, zijn niet anders dan duivels. De keizer trouwens zijn wij wel gehoorzaamheid verschuldigd maar geen aanbidding, hij is tenslotte God niet.

Ook de opstanding moet Theophilus verdedigen – heidenen vonden dat een bespottelijk idee en ook Autolycus had de wens geuit wel eens een opgestane dode te ontmoeten. Theophilus raadt aan te letten op de natuur, daar zien we hoe alles sterft en hoe elk jaar toch weer nieuw leven ontstaat, en elke maand leeft de maan die verdwenen was weer op. Autolycus is wellicht zelf ook wel eens ziek geweest, verloor gewicht en kracht, maar heeft toch genezing en herstel gevonden, wat een werk van God is. We zagen bij Clemens van Rome al de argumenten die christenen inbrachten ter verdediging van de opstanding.

Het tweede boek vangt aan met kritiek op afgoderij: “ziehier, wat mij inderdaad belachelijk schijnt,” steenhouwers en boetseerders maken goden die zolang er aan gearbeid wordt niet vereerd worden, tot zij in een heiligdom geplaatst, offers ontvangen en aanbeden worden. Die goden waren blijkbaar ook geboren in de tijd, zij stammen altijd af van andere goden, zij wonen op bepaalde plekken. Maar waar? “Waarom heeft Zeus dus Ida verlaten? Omdat hij dood is? Of omdat dit gebergte hem niet meer behaagt? Waar is hij dan naar toe gegaan? Naar de hemel? Neen! Zul je mij nu niet gaan zeggen: ‘Naar Kreta’? Heel juist. Men toont er vandaag nog zijn graf.” Ook filosofen hebben hun wijsheid over de goden geformuleerd, maar hoe spreken zij elkaar onderling tegen! En dan zijn er nog de talloze mythen, “Moet ik over de Helleense legendes spreken in hun onbenulligheid”? Theophilus doet het toch maar, om te besluiten dat de dichters ervan duidelijk door duivels werden geïnspireerd, en niet door de ‘muzen’ zoals men verkeerdelijk denkt.
Hoeveel eerbaarder is wat mannen van God, geïnspireerd door de heilige Geest, aan waarheid hebben doorgegeven. Uitgebreid citeert Theophilus uit de twee scheppingsverhalen uit Genesis – hij schrijft ze zowat over – om die dan uit te leggen, waarbij hij ook allegorie gebruikt. Ook de geschiedenissen van Adam en Eva, Kaïn en Abel, Henoch, de torenbouw van Babel en andere zaken worden verteld. Vele dingen stemmen overeen met de Sibille. De Sibillijnse orakels waren heidense boeken, maar hellenistische Joden hadden hun eigen versie opgetekend, al vanaf de 3e eeuw v.Chr., en laatantieke christelijke schrijvers zoals Lactantius zouden die zien als een verzameling profetieën over de christelijke God. Ook Theophilus verwijst ernaar. Zo kan hij zijn tweede boek besluiten dat de Sibille, en soms zelfs de Griekse dichters en filosofen, Gods gerechtigheid in het licht hebben gesteld.

In het derde boek herhaalt Theophilus zijn kritiek op de Griekse geleerden: “niet alleen hebben zij de spot gedreven onder elkaar, maar het is zover gekomen dat zij zonder te dralen het gezag van hun eigen theorieën ondermijnd hebben.” Over de goden hebben zij dan ook de meest tegenstrijdige dingen beweerd. Wat heb je dus aan al die geleerdheid? Hoeveel voortreffelijker is dan het christendom, met een geloof in één God, schepper van hemel en aarde, die zijn wet gegeven heeft in de tien geboden, met profeten die aanspoorden die wet ter harte te nemen. Het valt op dat Theophilus vooral uit het Oude Testament citeert, al bevestigen en overstijgen de evangeliën de profeten: “De stem van het evangelie geeft een nog indringender leer over de zuiverheid: ‘Iedere man, die de vrouw van zijn naaste gadeslaat met de bedoeling haar te begeren, heeft al overspel gedreven met haar in zijn hart.’” Zo worden nog wat zaken aangehaald uit de Bergrede, waarna weer vlug naar het Oude Testament wordt gegrepen. Daarin krijgen wij een helder overzicht van de geschiedenis, vanaf de schepping tot de huidige tijd, en waaruit ook bewezen wordt dat deze heilige boeken een zeer respectabele ouderdom hebben en van goddelijke oorsprong zijn: “zij zijn de oudste en de meest betrouwbare.” Autolycus wordt dan ook aangeraden zich dáárin te verdiepen.

Share This