Octavius: een filosofische apologie

7 februari 2024

Heel anders dan Tertullianus, die niets moest weten van filosofische argumenten, gebruikt Minucius Felix bijna uitsluitend filosofische bewijsgronden voor de waarheid van het christelijk geloof. Hij doet nauwelijks beroep op de Bijbelse openbaring. We vinden bij hem geen citaten uit het Oude of Nieuwe Testament.

Er is weinig bekend over deze Minucius Felix. We kennen zijn geboorte- en sterfdatum niet, maar weten wel dat hij leefde in de overgang van de 2e naar de 3e eeuw. We vernemen uit zijn eigen werk ‘Octavius’ dat hij advocaat was en na het christendom onderzocht te hebben zich ertoe bekeerde. De latere apologeet Lactantius (240-320) noemt de apologie van Minucius Felix in zijn ‘Goddelijke onderwijzingen’. De kerkvader Hiëronymus (342-420) noemt Octavius in zijn ‘Over beroemde mannen’ en zegt dat hij advocaat was in Rome. In Eusebius’ kerkgeschiedenis wordt hij niet vermeld. Uit Minucius Felix’ werk blijkt duidelijk dat hij een gedegen opleiding heeft genoten, hij kent de filosofen en dichters. Het manuscript dat gebruikt wordt voor moderne vertalingen dateert van de 9e eeuw en bevindt zich in de Parijse Biblioteque Nationale. Het is een extra, 8e boek bij een verzameling van zeven boeken Tegen de heidenen (Adversus nationes) van Arnobius (3e–4e eeuw), misschien doordat ‘Octavius’ gelezen werd als octauus; ‘achtste’ – boek van Arnobius zal verondersteld zijn.

Het werk geeft een dialoog weer tussen de heiden Caecilius en de christen Octavius. De eerste komt met aanklachten, de tweede verdedigt zich, en dat gebeurt onder leiding van Minucius Felix. Er zijn belangrijke overeenkomsten met de apologie van Tertullianus, maar omdat die laatste doorgaans zijn bronnen vermeldt en nooit Minucius Felix noemt, en omgekeerd Minucius haast nooit bronnen vermeldt, neemt men aan dat deze te rade gegaan is bij de apologie van Tertullianus. Dan moet dit ook in het Latijn geschreven werk iets na dat van Tertullianus ontstaan zijn, het wordt gedateerd op 200 n.Chr. Een ander werk dat tot inspiratie heeft gediend is het werk van Cicero (106-43 v.Chr.) De natura deorum, ‘De goden.’ Daarin zal Minucius heel wat informatie gevonden hebben die hij gebruikte in zijn apologie.
Minucius Felix’ apologie vertoont volgende opbouw: In een inleiding wordt de aanleiding tot het gesprek genoemd en worden de gesprekspartners voorgesteld (hoofdstukken 1-4). Vervolgens noemt Caecilius alle bekende bezwaren tegen het christendom (5-13). Na een intermezzo (14-15) weerlegt Octavius vakkundig alle geuite kritiek (16-38). Die weerlegging mag wel als geslaagd beschouwd worden want in de epiloog bekeert Caecilius zich tot het christelijk geloof (39-40).

Bedachtzaam vangt Caecilius zijn betoog aan. Zou het kunnen dat de epicuristen, die niet aan de goden geloven, gelijk hebben? Er is immers zoveel toeval in deze wereld, waaruit niet bepaald een goddelijke gerechtigheid valt af te leiden: “De bliksems slaan overal in, ze schieten op bergen neer, storten zich op bomen; in den blinde raken ze gewijde en niet-gewijde plaatsen, treffen schurken en dikwijls ook vrome lieden.” Toch besluit Caecilius dat het wellicht verstandig is om te geloven aan de goden, zoals immers sinds onheuglijke tijden alle mensen hebben gedaan. “Over het bestaan van de onsterfelijke goden zijn alle volkeren het ondanks alles altijd volkomen eens geweest, hoewel het niet vaststaat hoe we hen moeten verklaren en hoe ze ontstaan zijn.” Wie die goden wil loochenen beschuldigt hij van ongehoorde brutaliteit en respectloze pseudo-wijsheid, waarop een felle uitval naar christenen volgt.

Uit mensen die nauwelijks hebben leren denken, bijeengebracht uit het diepst gezonken uitschot, en uit lichtgelovige vrouwen die met de zwakheid hun sekse eigen maar al te gauw een misstap begaan, rekruteren ze de domme massa die deel uitmaakt van die heilloze samenzwering die met haar bijeenkomsten ’s nachts, regelmatige vasten en voedsel dat een mens niet past en niet door een heilige handeling bekrachtigd wordt maar door een heiligschennende daad -, een slag mensen dat zich aan het oog onttrekt en het daglicht schuwt, dat er in het openbaar het zwijgen toedoet, in zijn uithoeken een grote mond opzet; tempels verachten ze als waren het graven, de goden verafschuwen ze, ze lachen om heilige handelingen […] en zelf lopen ze er halfnaakt bij. Zij versmaden de folteringen van het ogenblik, terwijl zij wat ongewis is en nog komen moet vrezen, en terwijl zij bang zijn na de dood te sterven, zijn zij ondertussen niet bang te sterven: zo biedt hoop die de angst doet vergeten hen verleidelijk de troost van wederopstanding. […]. Aan geheime merktekenen en kentekenen herkennen ze elkaar, en ze beminnen elkaar al bijna nog voordat ze elkaar hebben leren kennen; ook verspreidt zich onder hen op grote schaal wat ik een soort ‘eredienst der lusten’ zou willen noemen […].

Hier worden heel wat beschuldigingen bij elkaar gebracht: christenen zijn dom, uitschot van de maatschappij, bezondigen zich aan kannibalisme (‘voedsel dat een mens niet past’), zij beschimpen de heidense godsdienst en goden, zijn promiscue en worden liever gemarteld dan door verloochening hun verhoopte opstanding kwijt te raken. Caecilius weidt vervolgens nog uit over het vereren van een gekruisigde misdadiger, het slachten baby’s die opgegeten worden, enz. Als doemprofeten voorspellen christenen dat hemel en aarde zullen opbranden, maar zelf zullen ze tot nieuw leven opstaan, terwijl alle anderen eeuwig zullen gestraft worden. Toch zorgt hun God niet erg goed voor de christenen, velen van hen lijden gebrek, honger, kou, zijn uitgemergeld door arbeid, “en God accepteert dat, hij doet of hij het niet ziet, hij wil of kan de zijnen niet helpen; zo is hij dus ofwel onmachtig of anders oneerlijk.” Trouwens, ook van het vuur of folteringen redt hun God niet. Verder zijn de christenen vreselijk asociaal: toneel vermijden zij, processies wonen zij niet bij, wedstrijden die ter ere van de goden gehouden worden bezoeken zij niet, tempels ontvluchten ze. Wie dachten de christenen wel dat ze waren met hun zogenaamd doorvorsen van de hemelstreken en de geheimen van de wereld te willen ontraadselen. Eerbiedwaardige filosofen en dichters hadden deemoedig erkend dat de mens daartoe niet bij machte was.

Toen Caecilius wat bekomen was van zijn in hevige verontwaardiging gesproken woorden, vroeg hij glimlachend of Octavius hier nog op wat op durfde te zeggen. Octavius nu vond het betoog van Caecilius nogal warrig, alle kanten opgaand. Onverschrokken geeft hij dan een wel erg uitgebreid antwoord op alle beschuldigingen. Een overzicht.

Eenvoudige lieden zijn niet dom, men moet weten dat “alle mensen zonder onderscheid naar leeftijd, geslacht en sociale positie geschapen worden met het vermogen hun hersens en hun ogen goed te gebruiken.” Met die ogen en het denkvermogen kan de mens zien hoe mooi en goed de hele kosmos in elkaar zit – Octavius noemt heel wat voorbeelden – wat dus wel moet wijzen op één Schepper, die zelf geestelijk is. Een hele rits dichters en filosofen worden aangehaald en Octavius besluit: “zodat wie je maar wilt van mening is dat de christenen van nu filosofen zijn of dat de filosofen van toen al christen waren.” Hoevele filosofen trouwens hebben niet erkend dat de zogenaamde goden niets dan door mensen vergoddelijkte lieden zijn? Die zogenaamde goden worden dan nog eens door vergankelijk materiaal afgebeeld, “een god van hout immers, misschien wel een stuk hout afkomstig van een brandstapel of een ongeluk brengende boomstam, wordt opgehangen, er wordt in gehakt, gehouwen, aan geschaafd.” Vervolgens dient men wel vogels en ongedierte van die goddelijke beelden te verjagen. Wat te denken ook over de bizarre culten, waarbij sommigen hun eigen bloed plengen, zoals hij “die zich met een potscherf de ballen heeft afgemaaid.” En wat hebben die goden zelf ook niet voor beschamende dingen uitgehaald? Terecht heeft Plato “die vermaarde Homerus, geprezen en gelauwerd, uit de staat die hij in zijn dialoog ontwierp verbannen.” Het zijn trouwens niet de goden die de Romeinen het leiderschap over de wereld hebben gegeven, die hebben de Romeinen zich verworven door met ongeziene brutaliteit en geweld andere volken aan zich te onderwerpen. De voortekenen, door auguren geïnterpreteerd, zijn vaak niet uitgekomen, en als ze uitkwamen is het door demonen die mensen aldus misleidden. Het zijn ook die demonen die zich ophouden in de godenbeelden: zij “houden zich schuil binnen in gewijde beelden en dodenmaskers, en door hun inblazingen verkrijgen zij het aanzien als van een god die zich nadrukkelijk manifesteert.” Diezelfde demonen inspireren dan nog eens mensen om christenen te haten en te vervolgen. Uit hun koker komen ook de valse beschuldigingen: dat christenen een ezelskop aanbidden of geslachtdelen van een priester, de promiscuïteit, het aanbidden van een boef aan een kruis, het doden van kinderen waarna hun bloed wordt gedronken, incestueuze liefdemalen, geheime samenkomsten en tekenen. De Joden dan, die vereren terecht de ene God, maar zij hebben er zich van verwijderd. Zo gaat Octavius verder over het wereldeinde, de opstanding, de straf in de hel voor goddelozen. Maar hoe staat het met God die zijn christenen laat lijden onder allerlei folteringen? Octavius antwoordt:

Wat een schitterend schouwspel is het voor God wanneer een christen te kampen heeft met smart, wanneer hij geconfronteerd wordt met intimidatie, de zwaarste straffen en martelingen, wanneer hij lachend het knersen van de Dood en de huiver voor de beul niet acht, wanneer hij oog in oog met koningen en vorsten zijn geestelijke vrijheid hoog houdt, alleen opzij gaat voor God, wiens eigendom hij is, wanneer hij als triomferend overwinnaar hem hoont die het vonnis over hem uitsprak! Hij immers is de overwinnaar die verwierf waarvoor hij zich inzette.

Dank zij Gods inspiratie verdragen zij elke kwelling, en spotten zij met kruisen, folteringen en wilde dieren. Octavius rondt af met te zeggen dat een mens door rijkdom en een hoge maatschappelijk positie diep kan vallen, terwijl de waarde voor christenen wordt afgemeten aan zijn ingetogenheid, zijn levenswandel. Daarom vermijden christenen het schandelijk vertoon van toneelstukken, weigeren zij als vrijen de restanten van offers aan goden te eten, bekransen zij hun doden niet die immers een onverwelkelijke krans van God krijgen. Dan is Octavius eindelijk uitgesproken.

De luisteraars zijn een tijdlang met stomheid geslagen en blijven hem met open mond aankijken. Hij heeft indruk gemaakt. Maar het mooist is toch dat Caecilius overtuigd is van de grotere waarde van het christelijk geloof, hij zegt over Octavius: “want zoals hij mij overwonnen heeft, zo triomfeer ik over mijn dwaling.” Hij heeft nog wel wat puntjes waarover hij opheldering wil, maar dat kan wachten. En de gespreksleider besluit: “Hierna gingen wij blij en opgewekt uit elkaar: Caecilius blij met zijn geloof, Octavius blij met zijn overwinning, en ik verheugd om het geloof van de één, de overwinning van de ander.”

Share This