Tertullianus als apologeet (1)

10 februari 2024

Als de Tiber buiten zijn oevers treedt, als de Nijl niet overstroomt, de hemel geen regen geeft, als er een aardbeving is, hongersnood of er is droogte of de pest, dan schreeuwt het volk ten hemel: ‘De christenen voor de leeuwen.’

Tertullianus (ca. 160-212), die deze woorden schreef, werd geboren in Carthago, waar hij zijn hele verdere leven verbleef. Hij was opgegroeid als heiden, had een retorische opleiding genoten, wat ook te zien is in zijn werken: hij beheerst de retorische technieken en toont zijn kennis van filosofen en dichters. De kerkvader Hiëronymus schreef hierover: “kan men zich iets geleerders en scherpzinnigers denken dan Tertullianus? Zijn Apologeticus en zijn boeken tegen de heidenen bevatten heel de profane wetenschap.” Daarnaast ontving Tertullianus ook een juridische vorming, zoals Eusebius getuigt: “Tertullianus had zich zeer vertrouwd gemaakt met de wetten van de Romeinen.” Het Apologeticum is opgezet als een pleidooi in een christenproces.

Zelf getuigt hij zijn jongelingsjaren in losbandigheid te hebben doorgebracht. Rond het jaar 193, laat in zijn dertiger jaren, werd hij christen. Hij verdiepte zich toen in de literatuur van de Bijbel maar ook in geschriften van Justinus, Tatianus, Irenaeus, en hij kende ook de Herder van Hermas. We zagen al dat Tertullianus in zijn werk Tegen Marcion schreef hij: “Het goddelijke woord, dat tweesnijdend is met de twee testamenten van de wet en het evangelie.” Oude en Nieuwe Testament hadden voor hem gezag, ook de apocriefe of deuterocanonieke boeken. De ‘Herder van Hermas’ en de ‘Handelingen van Paulus’ verwierp hij. Omdat de Schrift de kerk toebehoorde hadden ketters niet het recht gebruik van haar te maken. Zij wijzigden of interpreteerden de tekst toch maar zoals het hen uitkwam. Men diende te interpreteren volgens de geloofsregels, en de Bijbel legde ook zichzelf uit: de ene tekst moest altijd geïnterpreteerd worden vanuit andere teksten.

Tertullianus schreef heel wat werken (voor het eerst in het Latijn!), liefst eenendertig boeken bleven bewaard, waaronder ook enkele apologetische werken. Anders dan Justinus vond hij dat je het christelijk geloof niet moest proberen uit te leggen met filosofische begrippen. Immers: “Wat heeft Athene met Jeruzalem te maken, wat heeft de Academie gemeen met de kerk? […] Weg met alle probeersels om een bont christendom in elkaar te flansen met stoïsche, platonische en dialectische onderdelen. Wij willen geen vreemde discussies nu we Christus Jezus bezitten, geen onderzoeken nadat we het evangelie genieten.” Voor Tertullianus was het duidelijk: Griekse filosofen waren volstrekt overbodig. Zij waren trouwens gevaarlijk: ketterijen waren ontstaan door ideeën van allerlei filosofen op te nemen: “Inderdaad zijn ketterijen zelf door filosofie teweeggebracht.” In zijn 2e boek Ad nationes verwerpt hij de filosofieën van Thales, Socrates, Plato, Zeno, Epicurus en de Stoïci. Het verwondert dan wellicht dat Tertullianus Seneca “één der onzen” noemde, zoals we al zagen. Dat was vanwege de overeenkomsten met het christendom op vlak van de ethiek. Maar ook op andere momenten maakte Tertullianus gebruik van de rede. Natuurlijk, eerst beriep hij zich op de Schrift, maar tenslotte was ook de rede een gave van God die zelfs kon leiden tot waarheden die God had geopenbaard in de Schrift. En de rede kon ook getoetst worden aan de geloofsregels. En er waren meer invloeden vanuit de filosofie. Zo zag Tertullianus, net als de stoïcijnen, de ziel als een fijnstoffelijke substantie die het lichaam doordrong.

Justinus had betoogd dat de Romeinen met hun christenvervolgingen de wettelijke rechten van christenen met de voeten traden, christenen waren tenslotte ook Romeinse burgers. Maar Tertullianus was minder diplomatiek en beschuldigde de vervolgers ervan dat ze onmenselijk waren, goddeloos en vervloekt. Het zou ze niet baten, de christenen zouden alleen nog talrijker worden: “het bloed van de christenen is een zaad”, zei hij met bekend geworden woorden. Zelf was hij tot geloof gekomen bij het zien van de moed van martelaren. Heldenmoed prees hij, maar lafheid, afvalligheid, lauwheid en immoreel gedrag onder christenen verafschuwde hij. En christenen hadden geen excuus; de mens had een vrije wil en kon kiezen voor het goede. Ethiek, het juiste leven, was enorm belangrijk voor Tertullianus, en het Nieuwe Testament gaf aan wat een goede ethiek inhield; volgens Tertullianus kwam het neer op vasten, nederigheid, kuisheid en martelaarschap. De kerk moest puur en zuiver zijn, maar dat was ze niet. Het pure christendom meende hij te herkennen in de beweging van Montanus. Tertullianus sloot zich bij hen aan – zij hadden ook een gemeenschap in Carthago – maar uiteindelijk werden ook zij te licht bevonden en stichtte hij (waarschijnlijk) zijn eigen, nog rigoureuzere gemeenschap; Augustinus schreef in ieder geval dat de sekte der Tertullianisten in zijn tijd (4e eeuw) aan het verdwijnen was.

Tertullianus schreef verschillende apologetische werken. Zijn eerste geschrift was Ad martyras (Aan de martelaren), waarin hij deze helden bemoedigde. Een eerste apologetisch werk bestond uit twee boeken Ad nationes, ‘Tot de volken’. In feite is dit minder een verdediging van het christendom als wel een frontale aanval op het heidendom met haar schanddaden en, algehele verwording, waarbij hij zijn materiaal ontleend heeft aan Griekse apologeten en aan Varro Reatinus (116 – 27 v.Chr.) die een enorme encyclopedische kennis bezat. Dit vooral in het eerste boek; in het tweede valt hij het polytheïsme aan en pleit hij voor het christelijk geloof.

Dit al te vlug geschreven werk verbeterde hij in zijn Apologeticum, in 197, toen een vervolging woedde, waarin hij als advocaat de verdediging van de christenen op zich neemt, dit in een fictief proces. Het was gericht aan de stadhouders van Carthago die het waarschijnlijk nooit gelezen hebben. Het heeft in ieder geval geen effect gehad, de vervolgingen gingen gewoon door. We mogen wel aannemen dat het vooral voor christenen werd geschreven, om hen te bemoedigen en te sterken in hun geloof; bij hen had het werk een groot succes, het werd alom geprezen. Hierin verdedigt Tertullianus het christendom tegen de bekende aantijgingen: het niet vereren van de goden, het niet offeren aan de keizer, en Tertullianus toont aan dat er overeenkomsten waren tussen christelijke kritiek en sommige heidense zelfkritiek. Dit materiaal gebruikte Tertullianus voor het beter opgezette Apologeticum dat wie hier zullen bespreken. Er is grote overeenkomst met het werk van Minucius Felix dat in de volgende paragraaf aan bod komt.

Tertullianus heeft nog meer geschriften met apologetische inslag geschreven, waarvan de belangrijkste zijn: De spectaculis (Over spelen), De idolatria (Over afgodendienst), Ad Scapulam, een brief gericht aan de stadhouder Scapula. In dit werk dreigt Tertullianus de stadhouder met de wraak van God. Verder schreef hij ook Dogmatische geschriften, vaak tegen ketters en praktisch ascetische boeken, zowel uit zijn vroege periode als zijn latere Montanistische tijd.

Wordt vervolgd.

Share This