De dood in Egypte


12 augustus 2022



Pyramides, graftomben, dodensteden ten westen van de Nijl (het gebied van de dood), sarcofagen, mummies, het Dodenboek, Egyptenaren leken wel geobsedeerd door de dood, of door het leven na de dood. Dat betekende niet dat het huidige leven niet gewaardeerd werd, men wilde graag zo lang mogelijk leven, in voorspoed. De wijze Hordjeder schreef: “Deprimerend is de dood voor ons, het is leven dat we hogelijk waarderen.” De dood werd gevreesd, gestorvenen werden betreurd, sommigen hertrouwden zelfs liever niet en bleven de gedachtenis aan hun overleden partner touw. Toch was het leven na de dood niet wezenlijk anders dat het leven dat men kende, en men kon zelfs contact hebben met de overledenen. Iedereen die moreel goed had geleefd, zou in het hiernamaals verder leven, zoals op de tombe van Petosris stond (3e eeuw v.Chr.): “Het westen is de verblijfplaats van hij die zonder fouten is, prijs god voor de man die het bereikt! Geen mens zal er komen, tenzij zijn hart gericht is op het doen van het goede.” Wat meer was, in het leven na de dood was iedereen gelijk: “De arme wordt er niet onderscheiden van de rijke,.” Dat is dus een andere situatie als in Mesopotamië, waar sociale verhoudingen bleven bestaan in het dodenrijk.

In ieder geval had de dode nog steeds noden, net zoals de levenden. Hij had de beschutting nodig van zijn graftombe, voedsel en drank, en graag enkele aangename activiteiten. Dat kostte best wel wat. Gewone huizen hoefden slechts een mensenleven mee te gaan en waren gebouwd uit modderstenen, maar een grafkamer was voor eeuwig, en werd uit kostbare steen gehouwen. Hij werd ook rijk versierd en enkele rijkdommen werden meegenomen, zodat het geheel ook goed moest beveiligd worden tegen plunderaars, door allerlei technieken en vervloekingen. De voedseloffers moesten in principe eeuwig doorgaan, omdat de dode eeuwig leefde, daar aan de andere zijde, maar men was wel zo nuchter dat in de tijd te beperken. Een lijst noemt wat zoal gebracht werd bij een graf: mascara en olie (ook de dode wilde er mooi uitzien), gebak, brood, vlees, bier, wijn, fruit en groenten. Maar voedseloffers konden ook gebracht worden in de vorm van schilderingen van voedsel op de muren van de grafkamer, of via driedimensionale afbeeldingen ervan. Door het principe van substitutie kon dat dienen als werkelijk voedsel voor de dode. Dat werkte ook door gebeden waarin voedsel werd genoemd, het genoemde werd geactualiseerd, het waren ‘stem-offeranden’. Zo kon men op een muur in bij een graf lezen: “O jij die leeft op aarde en die deze graftombe van mij passeert, giet water en bier uit voor mij. Als je niets hebt, spreek met je mond en offer met je hand brood, bier, een rund, kip, wierook en dure dingen.” Ook werd gevraagd de naam van de dode uit te spreken “zodat je mij zult doen herinneren, zodat ik niet vergeten wordt.” Want een man herleefde als zijn naam werd uitgesproken.

Het was voor Egyptenaren vanzelfsprekend een goede relatie te onderhouden met de doden. Eigenlijk mocht men in ruil voor de goede gaven die men bij hun graf bracht wel hopen op de bijstand van de doden in allerlei praktische zaken, zoals het oplossen van ruzies, van lastige buren verlost te worden, de gunst van de goden te winnen of goddelijke bescherming te verwerven tegen vijanden – goddelijke of menselijke. Het genoot wel de voorkeur als de levenden hier initiatief namen; als de doden contact zochten was dat meestal geen goed teken, zij brachten dan onrust, ziekte, slechte voortekenen, terwijl het leven zo al lastig genoeg was. In feite vond de communicatie plaats tussen de levende en de akh van de overledene, zijn energie, zijn persoonlijkheid. Die akh hadden niet de gewoonte te verschijnen aan de levenden, maar men kon die wel ontwaren in een droom. De akhs konden voorbede voor je doen bij de goden, daartoe bracht men ze ook offers. Toch kon men wel de klacht horen: “Hij [de akh] heeft niets gegeven aan mijn dochter die grafoffers brengt aan de akh.” Het was ook altijd oppassen dat een akh geen vervelende geest zou worden als men onvoldoende offerde. Zij konden gevaren creëren voor de levenden zodat die zouden verongelukken en sterven. Daarom luidde een aanbeveling in de Instructies van Ani: “Kalmeer de akh, doe wat hij wil en onthoud je van wat hij verfoeit. Moge je bewaard blijven van zijn vele kwade daden. Van hem komt alle tegenslag.” Men kon zich natuurlijk ook altijd beschermen tegen een akh door een amulet.
Een geliefde manier om zich tot de doden te richten was ze een brief te schrijven. De meeste van dergelijke brieven die men teruggevonden heeft zijn geschreven op kruiken die bij het graf geplaatst werden. De brieven kennen een standaard structuur: een groet aan de dode, dan een beroep op de goede wil van de overledene, waarbij men hem in herinnering brengt hoeveel goede daden de levende voor hem gedaan heeft, en tenslotte het verzoek. Dat kan een vraag zijn om de briefschrijver te behoeden voor leed, of op te stoppen de levenden te kwellen vanuit de andere wereld, of als voorspraak op te treden bij andere geesten die voor ellende verantwoordelijk werden gehouden. Menigmaal werd de dode ervan verdacht de oorzaak van allerlei problemen te zijn.

In een lange brief verwijt een man zijn overleden vrouw dat zij hem een of ander kwaad berokkend. Telkens weer schrijft hij “Wat heb ik jou misdaan?” Hij noemt alle goede dingen op die hij tijdens haar leven voor haar heeft gedaan, en zelfs nu is hij al drie jaar ongetrouwd gebleven, allemaal uit consideratie voor haar. Enkele gedeelten:

Wat heb ik jou misdaan? Terwijl wat jij gedaan hebt, je hebt je handen op mij gelegd zelfs al heb ik geen kwaad gedaan tegen jou. […] Kijk maar, jij negeert hoe goed ik je heb behandeld. Ik schrijf je om je bewust te maken van de dingen die je doet. Toen jij ziek werd met de kwaal die je overviel, liet ik een geneesheer komen, en hij behandelde je en deed wat jij hem zei te doen. […] Zie nu, jij onderscheidt goed niet van kwaad. Men zal oordelen tussen jou en mij.

Men geloofde dat er in het rijk van de doden een tribunaal bestond, bestaande uit overleden geesten, waar men zijn rechtsgeding kon voeren tegen de doden. Daar verwijst deze schrijver naar.
In een andere brief richt een zieke zich tot een overleden verwant, met de bede om genezing, en het verlangen hem eens te zien in een droom:

Een bericht door Merirtyfy aan Nebetiotef. Hoe is het met je? Zorgt het Westen goed voor je, zoals je verlangt? Nu, vermits ik jouw geliefde ben op aarde, vecht voor mij en doe voorbede voor mijn naam. Ik heb geen [grafvloek] gesproken in jouw tegenwoordigheid toen ik jouw naam vereeuwigde op aarde. Neem de ziekte van mijn lichaam weg! Wordt alsjeblief een geest voor me, voor mijn ogen zodat ik je kan zien in een droom, vechtend voor mij. Ik zal offeranden neerleggen voor jou, van zodra de zon opkomt en ik kleed je offerplaat aan voor je.

Share This