De Komende Wereld volgens de rabbijnen

27 mei 2024

De appreciatie van de komende wereld, vergeleken met de huidige, is positief, maar niet ten koste van de huidige wereld:

Hij [Rabbi Jakob] had als lijfspreuk:
Eén moment van werkelijk bewustzijn
En van positieve daden in deze wereld
Is mooier dan het hele leven van de Komende Wereld.
Maar één moment van innerlijke vrede in de Komende Wereld
Is mooier dan het hele leven in deze wereld.

De haolam haba, de toekomende wereld, de Joodse versie van de hemel, wordt niet erg duidelijk getekend. Het zal een wereld zijn die anders is dan de onze, de haolam hazè. Maar hoe die precies zal zijn komen we niet te weten. Rabbi Jochanan bar Nappacha (3e eeuw n.Chr.) zei: “Alle profeten profeteerden alleen over het messiaanse tijdperk, maar met betrekking tot de Komende Wereld staat er: ‘en geen oog heeft het gezien, behalve U, o God, wat Hij doen zal voor wie op Hem wacht.’” Waar die Komende Wereld zich bevindt is evenmin duidelijk. Hij lijkt soms samen te vallen met de Tuin van Eden, de Gan Eden. Soms lijkt de Komende Wereld zich ‘boven’ te bevinden, je moet ernaar opstijgen volgens een midrasj:

En wie zegt dat eerst deze wereld wordt vernietigd en dat daarna de toekomende wereld komt – zo is de zaak niet. Integendeel, wanneer de rechtvaardigen de wereld verlaten, stijgen zij onmiddellijk op, zoals er staat: “Hoe groot is Uw goed, dat U weggelegd hebt voor wie U vrezen, dat U bereid hebt voor wie tot U de toevlucht nemen, ten aanschouwen van mensenkinderen.”

Toch valt er wel iets over te zeggen over de Komende Wereld. Een eerste belangrijk aspect is dat de dood er niet meer zal zijn: “Maar in de toekomende wereld zal er geen dood meer zijn, zoals gezegd werd: “Voor altijd doet Hij de dood teniet.” En verder.

Rav placht te zeggen: De toekomende wereld is niet als deze wereld. In de Toekomende Wereld is geen eten, geen drinken, een voortplanting, geen zakenonderhandelingen, geen jaloersheid, geen haat, geen wedijver. Maar de rechtvaardigen zitten er met kronen op hun hoofden, genietend van de heerlijkheid van de Goddelijke Tegenwoordigheid, zoals gezegd is: “zij zagen Hem, en zij aten en dronken.” Dat er geen voortplanting meer zal zijn wordt mooi geïllustreerd door volgend verhaal. Rabbi Benaä kwam bij het graf van Abraham en hij ontmoette daar Eliëzer, Abrahams knecht die daar aan de ingang van het rotsgraf stond. Rabbi Benaä informeerde bij Eliëzer waar Abraham mee bezig was, en die ze dat Abraham in de armen van Sarah lag en dat zij zijn hoofd onderzocht. Rabbi Benaä vroeg Eliëzer om Abraham te verwittigen dat hij binnen wou komen, en dat hij een gepaste houding zou aannemen om een bezoeker te ontvangen. Eliëzer zei echter dat het bekend was dat er geen ‘boze neiging’ (seks) was in de hogere wereld, en dat het dus niet ongepast was voor Benaä om binnen te komen bij Abraham zen Sara en hen te zien “in deze houding.” Benaä kwam dus binnen en onderzocht de grot om ze op te meten en ging weer naar buiten. Hier lijkt, zoals in het christendom, het leven hierna in een engelachtige status te worden doorgebracht, een heerlijk leven zonder vervelende dingen zoals eten, drinken en seks. En zoals in het christendom bereidde een ascetisch leven op aarde voor op een engelachtige status in de hemel.

“De Wijzen zeiden: De Komende Wereld is niet zoals deze wereld. In deze wereld is er moeite bij het plukken van druiven en het persen ervan. Maar in de Komende Wereld zal men één druif meenemen in een wagen of op een boot en die neerzetten in een hoek van zijn huis en die zal genoeg geven om de hoeveelheid van een grote kruik te vullen […]. En elke druif zal niet minder dan dertig volle kruiken wijn opleveren.” Ook de christen Papias (2e eeuw) schreef dat in het duizendjarig rijk wijnstokken tienduizend ranken zouden hebben, met aan elke rank tienduizend twijgen, aan elke twijg tienduizend loten aan elke loot tienduizend trossen, aan elke tros tienduizend druiven, elke druif gaf vijfentwintig metreten wijn. Een beschrijving van die onvoorstelbare vruchtbare wijnstokken treffen we ook aan in het Joodse apocriefe 2 Baruch. Dat wordt nog eens bevestigd in de apocriefe Openbaring van Paulus (3e – 4e eeuw): “En de wijngaarden hadden tienduizend struiken. En aan iedere wijnstok zaten tienduizend maal duizend trossen en aan iedere tros duizend druiven. Die bomen droegen per stuk duizend vruchten.”
De Komende Wereld werd ook wel gezien als een hemelse Jesiva. Daar werden zij die in dit leven hadden gestudeerd beloond en zij die in dit ondermaanse niet de kans gekregen hadden te studeren konden het daar dan doen. Een midrasj vertelt hoe Joodse martelaren in de Komende Wereld zullen zitten op gouden tronen en zullen luisteren naar de uiteenzettingen over de Thora van Rabi Akiba – een martelaar uit de 2e eeuw. Iedereen zal dan de mogelijkheid krijgen een Rabbi te worden en de Thora te bestuderen.

Wie komen in de Komende Wereld?

Een belangrijke vraag was wie aandeel zou hebben in die toekomende wereld. In principe had heel Israël deel aan de toekomende wereld, dat werd aangetoond door een verwijzing naar de profeet Jesaja.

Alle Israëlieten hebben een aandeel in de komende wereld, want er staat geschreven: “Uw volk, zij allen zullen rechtvaardigen zijn, voor eeuwig zullen zij de aarde in bezit nemen. Zij zullen een stekje zijn, door Mij geplant, een werk van Mijn handen, opdat Ik verheerlijkt zal worden.”

Ook zij die gezondigd hadden, konden toch deel krijgen aan de Komende Wereld. Over wie gestenigd werd – vanwege een ernstige zonde, zegt de Misjna: “En als hij ongeveer tien el van de plaats van steniging verwijderd is, zeggen zij tot hem: “Biecht op”; want dat is de gewoonte van allen die terechtgesteld worden, dat zij eerst bekennen, want wie bekent, heeft een deel in de komende wereld.” De Gemara vult aan: “En als hij niet weet wat hij moet biechten, instrueren zij hem en zeggen: ‘Moge mijn dood een boetedoening zijn voor al mijn zonden.’ Rabbi Judah zei: als hij weet dat hij slachtoffer is van valse bewijzen, kan hij zeggen: “moge mijn dood een boetedoening zijn voor al mijn zonden behalve deze.” Zij [de wijzen] zeiden tegen hem: Als dat zo is, zal iedereen zo spreken om zichzelf vrij te pleiten.” Opvallend is dat de eigen dood verzoening bewerkt voor de zonden. Andere teksten maken duidelijk dat ook gebeden en liefdesdaden verzoening bewerken voor de zonden van Israël. Het lijkt erop dat we allemaal beschouwd worden als martelaars omdat we allen sterven, en daarom een plaats zullen krijgen in de komende wereld.

Toch waren er uitzonderingen, niet iedereen kwam op de zo verlangde plaats.

De volgenden echter zijn degenen die géén deel hebben aan de toekomende wereld: Degenen die zeggen dat vanuit de Torah de opstanding der doden niet te bewijzen is. (Degenen die zeggen dat de Torah niet uit de hemel is en de Epicureeërs. Rabbi Akiva zegt: “Ook hij die apokriefe boeken leest en hij die fluistert over een wond en zegt: Geen enkele ziekte die ik over Egypte gebracht heb zal ik over jou brengen. En Abba Saul zegt: “Ook hij die de Naam met zijn letters uitspreekt.”

Zij die beweren dat de opstanding niet uit de Thora te bewijzen is, zijn de sadduceeën. We zagen al dat die niet geloven in de opstanding, en daarover in discussie gingen met Jezus. Met ‘Epicureeërs’ worden niet zozeer aanhangers van de Griekse filosoof Epicurus bedoeld, maar wel al diegenen die te vrij denken en van daaruit de opstanding ontkennen. Epicurus zelf werd in de oudheid al gezien als een atheïst, hij beweerde dat alles willekeurig was ontstaan uit atomen, ook de goden, en ook de menselijke ziel, die bij het sterven gewoon desintegreerde. Ook wie zich inlaten met het lezen van apocriefe geschriften, zij die geneeskunde via magie beoefenen, en zij die het wagen de heilige naam van God uit te spreken – ‘Jahwe’ in plaats van ‘Adonai’ (mijn Heer), komen niet in aanmerking voor de opstanding.

Er zijn er meer. Het gedeelte uit de Misjna noemt nog enkele zondige koningen: Jerobeam, Achab en Manasse. Over de goddeloze koning Jerobeam vertelt de Bijbel dat hij zich nog slechter gedragen had dan al zijn voorgangers. Hij had zich ingelaten met andere goden, had godenbeelden laten vervaardigen en had de Heer verworpen. Daarom zou God alle mannen van zijn familie uitroeien. Koning Achab was al even verwerpelijk, hij diende de god Baäl in plaats van de Heer, daartoe aangezet door zijn vrouw Izebel. Koning Manasse was ook een verschrikkelijke zondaar, maar was volgens 2 Kronieken had hij berouw en bad hij om vergeving, daarom verschillen rabbijnen van mening over zijn lot.

Er zijn er nog die geen deel zullen krijgen aan de komende wereld, legt de Misjna verder uit. Vier privé personen: Bileam, Doëg, Achitofel en Gehazi. Ook al zij die horen tot de generatie van de zondvloed, de lieden van Sodom, de verspieders die het beloofde land moesten verkennen en daar negatief over berichtten, de generatie die naar hun berichten luisterde en stierf in de woestijn, de volgelingen van Korach die door de aarde verslonden werden, de tien stammen die verdwenen zijn. Het zijn er samen dus heel wat die niet in aanmerking komen voor de opstanding, al moet gezegd dat over sommigen van de hier genoemden onder rabbijnen ook wel verschil van mening bestond. Een enkel voorbeeld. De generatie van de woestijn heeft geen aandeel in de komende wereld, zij zal ook niet staan in het oordeel, wordt gezegd door Rabbi Akiba. De bewijstekst daarvoor is: “Zij zullen in deze woestijn omkomen, ja, zij zullen er sterven!” Dat lijkt ook ons een gepaste verwijzing. Maar Rabbi Eliëzer is het daar niet mee eens, want over deze lieden in de woestijn wordt volgens hem ook gezegd, en hij haalt een psalm aan: “Verzamel Mij Mijn gunstelingen, die een verbond met Mij sluiten door offers.”

Wat is volgens rabbijnen het lot van niet-Joden met betrekking tot de Komende Wereld? De Tosefta geeft een gesprekje tussen twee rabbijnen weer:

Rabbi Eliëzer zei: “Alle volken zullen geen aandeel hebben in de komende wereld, zoals er gezegd is: ‘de goddelozen zullen in de Sjeol gaan, en alle volken die God vergeten’. De goddelozen zullen in de Sjeol gaan – dat zijn de goddelozen onder Israël.” Rabbi Josjoea zei tegen hem: “Als het vers had gezegd: ‘De goddelozen zullen met alle volken in Sjeol gaan,’ en daar was gestopt, zou ik het met je eens zijn geweest, maar omdat het verder gaat met ‘die God vergeten,’ betekent het dat er onder de volken rechtvaardige mensen zijn die een aandeel hebben in de wereld die komt.”

Sommige rabbijnen, hier vertegenwoordigd door rabbi Eliëzer, geloofden dat alleen Israël toegang zou hebben tot de Komende Wereld. Rabbi Eliëzer leidt dat af uit een psalmvers: “Laten de goddelozen weggaan naar het dodenrijk, alle volken die God zijn vergeten.” Hij interpreteert de ‘goddelozen’ als de goddelozen van Israël, en de ‘volken’ als de niet-Joden. Maar rabbi Josjoea, de spreekbuis van andere rabbijnen, is het daar niet mee eens. Hij ziet ‘allen die God vergeten’ als een andere categorie, die van de rechtvaardigen onder de volken. Die zullen dus wel deel krijgen aan de Komende Wereld. Voor rabbi Josjoea was niet zozeer het deel uitmaken van het Joodse volk dat beslissend was, maar of men goede daden deed.

Rabbi Josjoea hoorde tot de rabbijnse school van Hillel, die gematigder was dan de strenge school van Sjammai. Rabbi Josjoea erkende “de rechtvaardigen onder de volken die een aandeel hebben in de komende wereld”. Daarmee moet hij bedoeld hebben: heidenen die afstand namen van afgodendienst, bloedvergieten en seksuele vergrijpen. Joden zagen deze als universele geboden die zij de ‘noachitische geboden’ noemden. Daar bestonden verschillende versies van met vier, zes of uiteindelijk zeven geboden: het gebod een rechtbank op te richten, een verbod op godslastering, aanbidden van andere goden, moord, incest, overspel, diefstal en roof, vlees eten van een nog levend dier. Deze ‘Noachitische geboden’ vormden zo een rabbijnse constructie voor heidenen die wilden leven zoals God het volgens hen bedoelde.

Share This