De status van de dode volgens de rabbijnen

27 mei 2024

Het sterven zelf kon volgens sommige rabbijnen een akelige belevenis zijn: “Wanneer de ziel het lichaam verlaat, gaat haar schreeuw [van angst] van de ene kant van de wereld naar de andere.” In de Talmoed wordt ook uitgelegd wat er dan precies gebeurt:

Van de engel des doods wordt gezegd dat hij vol ogen is [hij is dus overal]. Dus wanneer een zieke op het punt staat te sterven, staat de engel des doods boven het kussen van de man, met in zijn hand een getrokken zwaard, een druppel gal hangend aan de punt. Wanneer de zieke hem ziet, beeft hij en opent zijn mond [van schrik]. Precies op dat moment laat de engel des doods de gal in zijn mond vallen en hij sterft eraan – zijn lijk begint te stinken en zijn gezicht wordt groen.

In een eerste tijd na het overlijden bleef de ziel nog in de buurt van het lichaam.

Een zekere afvallige zei tot Rabbi Abbahu: Jij zegt dat de zielen van de rechtvaardigen opgeslagen worden onder de Troon der Glorie, maar als dat zo is, hoe kon dan de orakelvrouw Samuël opwekken door necromantie als zijn ziel niet langer in deze wereld was? Rabbi Abbahu zei tot hem: Daar gebeurde dat binnen twaalf maanden na zijn dood. Zoals geleerd werd in een baraita: Twaalf volle maanden blijft het lichaam van een overledene en zijn ziel stijgt op en daalt af, zodat het soms in deze wereld is bij zijn lichaam. Na twaalf maanden houdt het lichaam op te bestaan.

Volgens een andere bron bleef de ziel zeven dagen bij het lichaam: “Rav Chisda zei: de ziel van iemand rouwt voor hem alle zeven rouwdagen na zijn dood. Zoals gezegd is: ‘en zijn ziel rouwt over hem’, en ook staat geschreven: ‘En hij rouwde om zijn vader zeven dagen.’” We zagen dat in het zoroastrisme de ziel drie dagen bij het lichaam verwijlde alvorens verder hemelwaarts te gaan.

De dode was, zeker in de eerste tijd na zijn overlijden, nog bewust aanwezig bij wat er zoal rondom hem gebeurde. Volgens sommige teksten woonde de overledene zelf zijn begrafenis bij. Hij hoorde zo ook de lijkrede die over hem wordt uitgesproken. “Rav zei tot Rabbi Samuël ben Sila: Zorg ervoor dat je je lijkrede over mij vurig brengt, want ik zal er bij zijn!” De ziel van de overledene vond het trouwens best aangenaam dat men hem gezelschap hield,

Rabbi Jehoeda zei: Wanneer een dode geen treurenden (familie of vrienden) nalaat, dan zetten zich tien mensen op de plaats (waar hij gestorven is). Eens stierf iemand van de buren van Rabbi Jehoeda die geen treurenden naliet. Toen bracht Rab dat bi Jehoeda op elk van de treurdagen tien mensen samen op zijn sterfplek. Nadat de zeven rouwdagen voorbij waren verscheen de overledene aan Rabbi Jehoeda in een droom en sprak tot hem: ‘Moge jij rust vinden, zoals je mij rust gegeven hebt.’

Minder aangenaam was dat de dode ook de wormen voelde knagen aan zijn gestorven lichaam. Rabbi Jischak zei: “De wormen die het vlees eten van het vlees van de dode zijn even pijnlijk als een naald in het vlees van een levende. Want er staat geschreven: Zijn lichaam kent alleen maar pijn, zijn ziel treurt om hemzelf.” Maar overledenen voelden ook de pijn van andere doden. En zij praatten met elkaar over wat er zoal in de wereld gebeurde, zij baden ook voor de levenden en wisten wat de mensen over hen zeiden. Soms wisten ze ook wat er in de toekomst zou gebeuren. Het traktaat Berachot vertelt ons hierover enkele bijzondere verhalen, waaruit ik er een aantal laat volgen. Een eerste kwestie is of de doden de levenden kunnen horen. En zo ja of dat voor de levenden implicaties heeft.

Hierover zei Rabbi Yitzchak: Iedereen die negatief spreekt over een overledene, het is alsof hij spreekt over een steen. Sommigen zeggen dat dit zo is omdat de doden niets weten, anderen dat zij wel weten maar dat het hun niet kan schelen hoe over hen gesproken wordt. Is dat zo? Zei Rav Papa niet: Er was iemand die denigrerend sprak over de gestorven Mar Sjmuel en een balk viel van het dak en brak zijn schedel.

Volgens Rabbi Abbahu kon de dode alles horen wat de levenden zeiden tot zijn graf met de sluitsteen werd afgesloten; volgens anderen was dat toch tot het lichaam van de dode ontbonden was. Het hoefde echter niet altijd zo dramatisch af te lopen als bij degene die Sjmuel had belasterd, soms was de kennis die de doden hadden van nut voor de levenden.

Er was een rechtvaardige die een dinar (munt) gaf aan een arme op de avond van Rosj haSjana tijdens jaren van droogte, en zijn vrouw bespotte hem daarom. Om aan haar voortdurende spot te ontkomen vluchtte hij naar het kerkhof en bleef daar slapen. Die nacht hoorde hij in een droom twee (vrouwelijke) geesten met elkaar praten. De ene zei tegen de andere: Mijn vriendin, laat ons over de wereld zwerven om van achter het hemelse gordijn [de pargod die scheiding maakt tussen de Hemelse Tegenwoordigheid en de wereld] welke rampspoed de wereld zal treffen.

De andere geest kon echter niet meegaan op die zwerftocht omdat ze begraven was in een rietmat, die haar bewegingen beperkte. Maar zij moedigde de ander aan erop tui te trekken en haar nadien te vertellen wat zij gezien had. Aldus geschiedde en toen zij terugkwam vroeg de achtergeblevene wat zij zoal gezien had.

Zij antwoordde: ik hoorde dat iedereen die zal zaaien tijdens het eerste regenseizoen hagel zijn oogsten zal vernietigen. Toen de rechtvaardige man dit hoorde ging hij heen en zaaide zijn zaad tijdens het tweede regenseizoen. Uiteindelijk werden de oogsten van de hele wereld getroffen door de hagel, maar zijn oogst niet.
Dit doet denken aan het verhaal dat Cicero vertelt over een zekere Simonides die het lijk van een onbekende zag en het begroef. Later, toen hij een reis wilde ondernemen, kreeg hij een visioen van deze overledene, die hem uit dank voor zijn diensten waarschuwde niet scheep te gaan, zodat zijn leven werd gered van een schipbreuk. Heidense geesten traden actiever op dat joodse, als we verhalen uit de Talmoed tot maatstaf nemen.

Het jaar nadien begaf de man zich nogmaals naar het kerkhof. Toen hoorde hij de twee geesten vertellen dat de oogst van het tweede regenseizoen door schurft zou worden vernietigd. Hij was de enige die zaaide en oogstte bij het eerste regenseizoen. Toen zijn vrouw hem vroeg naar de reden van dit uitzonderlijke succes, vertelde hij beide dromen die hij op het kerkhof had. Nu gebeurde het dat deze vrouw een paar dagen later ruzie kreeg met de moeder van de jonge vrouw die daar begraven lag. Minachtend zij de vrouw tegen de moeder: “Ga, en ik zal je dochter tonen, hoe zij begraven is in een rietmat.” Een rietmat was een wat armzalige manier van begraven worden. Maar de geesten blijken op de hoogte te zijn van wat zich in de wereld der levenden afspeelt. Want toen het jaar daarop de man weer ging slapen op het kerkhof hoorde hij de ene geest tot de andere zeggen: “Mijn vriend, laat me, want woorden die wij privé uitspraken werden gehoord door de levenden.” Of, zo merkte een andere rabbijn op, zou het kunnen dat een levende die dit gehoord had, gestorven was en de geesten hierover had bericht? Zoiets viel niet uit te sluiten. Maar hier wordt een ander verhaal tegen ingebracht.

Met betrekking tot de overledene over wat er gebeurt, hier is een bewijs. Ze’iri deponeerde zijn dinars bij zijn herbergierster. Terwijl hij in en uit ging bij de school van Rav, stierf zij en hij wist niet waar zij het geld bewaard had. Dus ging hij naar haar graaf op het kerkhof en zei tot haar: “Waar zijn de dinars? Zij antwoordde: Ga en neem ze van onder het scharnier van de deur in die en die plaats. En zeg tot mijn moeder dat ze mijn kam en tube oogschaduw meegeeft aan die en die vrouw die zal sterven en morgen hier zal zijn.

De dode heeft ook in het hiernamaals wat spulletjes nodig. Natuurlijk herinnert dit aan wat Herodotus vertelde over koning Periander van Korinte die een dodenorakel raadpleegde; er was iets zoekgeraakt en hij hoopte dat zijn overleden vrouw hem kon helpen het terug te vinden. Zijn vrouw maakte van de gelegenheid gebruik om hem te vragen wat kleren voor haar te verbranden, die ze dan in het dodenrijk kon aandoen. En ook Lucianus vertelde hoe Tychiades, die wel alle kleren van zijn overleden vrouw had laten mee verbranden, door zijn vrouw verzocht werd ook haar gouden muilen te verbranden. Bij de rabbijnen worden die spulletjes meegegeven met de volgende dode, in het graf zullen we mogen aannemen.

Een gelijkaardig verhaal is dat van Sjmuel die zijn overleden vader vroeg waar deze het wezengeld had gelaten, dat lag in de onderste steen van de molen. De doden weten dus wat er gebeurt en zal gebeuren in de wereld der levenden. Of, zo merkt iemand op, is het wellicht een engel die de doden over deze zaken bericht?
Het is echter niet omdat de levenden wel eens via een droom berichten krijgen van overledenen, dat men ze ook door necromantie mag raadplegen. De Misjna stelt:

Een Baäl Ob is de Pithom [dodenbezweerder] die uit zijn oksel spreekt. De Yidde Oni [een tovenaar] is iemand die uit zijn mond spreekt. Deze twee worden gestenigd; terwijl hij die naar hen informeert een formeel verbod overtreedt.

In Leviticus werd al gewaarschuwd: “Raadpleeg geen geesten [haovot, dodengeesten] en schimmen van doden [hajiddonim, waarzeggende geesten] Wie zich tot hen wendt, verontreinigt zichzelf. Ik ben de HEER, jullie God.” Een straf wordt in Leviticus niet genoemd. Volgens de Misjna moeten de menselijke tussenpersonen die gestenigd worden. Het verbod op necromantie betekent niet dat het dus niet gebeurde. Zo weet een Midrasj te vertellen:

Drie dingen werden gezegd over hij die een dode laat opkomen. Hij die hem laat opkomen ziet hem maar hoort zijn stem niet. Hij die hem nodig heeft hoort zijn stem maar ziet hem niet. Hij die hem niet nodig heeft ziet hem niet en hoort ook zijn stem niet.

Share This