Mozes als god

4 december 2023

Een belangrijk dichtwerk is de ‘Exagogè’ uit de 2e eeuw v.Chr., van de hand van de Joodse dichter Ezechiël Tragicus. Gedeelten van zijn dichtwerk werden door Eusebius opgenomen in zijn Praeparatio Evangelica. Het is het langste bewaard gebleven fragment van alle hellenistische poëzie – heidens en Joods. Ezechiël heeft zich voor zijn werk gebaseerd op de tekst van de Septuaginta, maar er worden ook nieuwe elementen aan toegevoegd die uit andere Joodse tradities komen. In zijn werk portretteert hij Mozes als een groots en nobel leider van het Joodse volk. Belangrijk voor ons onderwerp is dat Mozes een vreemde droom krijgt waarvan in de Bijbel niets terug te vinden is.

Ik droomde dat er op de top van de berg Sinai
een grote troon stond die tot de uithoeken des hemels reikte.
Daarop was een edel mens gezeten,
met een diadeem op en met een grote scepter in zijn hand,
en wel zijn linkerhand. Want met zijn rechterhand
wenkte hij mij, en ik ging voor de troon staan.
Hij overhandigde mij de scepter en zei dat ik
op de grote troon moest gaan zitten. Toen gaf hij mij
de koninklijke diadeem en zelf ging hij van de troon af.
Ik zag de hele aarde in het rond
en wat onder de aarde en boven de hemel is.
En mij viel een menigte van sterren
te voet, en ik telde hen allen.
En zij trokken aan mij voorbij als een leger stervelingen.
Daarna stond ik verschrikt op uit de slaap.

God overhandigt zijn koninklijke diadeem en scepter aan Mozes staat hem zelfs zijn troon af. Hier is Mozes tot een hemels figuur geworden. Weliswaar gaat hier het hier niet om een letterlijke hemelvaart, het is vooreerst een droom en dan nog een over de top van de berg Sinai, maar daar staat dan wel een troon op die tot in de hemel reikt. Maar wat betekent dit gedicht? Van der Horst wijst op een ander boek, 3 Henoch (Sefer Hechalot) om dit gedicht goed te kunnen interpreteren. Ik geef hierna zijn bevindingen weer. 3 Henoch is weliswaar een veel jonger boek -na de 4e eeuw n.Chr. – maar bevat veel ouder materiaal. In 3 Henoch wordt het verhaal verteld van Henoch die getransformeerd wordt tot de hoogste engel Metatron. God maakt daarbij een troon voor Henoch die dezelfde is als Gods troon; God geeft hem een glorievolle mantel en een koninklijke kroon, God maakt hem tot heerser over alle koninkrijken en hemelse wezens. En alle engelen, de zon, maan, sterren en planeten buigen voor Henoch die zit op zijn troon. God openbaart hem alle geheimenissen mysteries van hemel en aarde, zodat Henoch verleden, heden en toekomst kent. En vooral, Henoch wordt JHWH ha-qaton genoemd: de kleine Jahwe. “Mijn naam is in hem,” zegt God, verwijzend naar de ‘Engel des Heren’ in het boek Exodus. In de Exagogè van Ezechiël is er slechts één troon, en Mozes wordt uitgenodigd daar op te zitten, alleen! God verlaat zijn troon – nooit gezien in Joodse literatuur, men kan spreken van een vergoddelijking van Mozes.

Ook in andere Joodse tradities werd Mozes gezien als een goddelijke koning, of als een eerste engel die het voorrecht had God te helpen en die deelde in zijn goddelijkheid. Ook Philo van Alexandrië zegt over Mozes:

God achtte hem immers waardig om deelgenoot te zijn aan zijn eigen bezit en liet aan hem de gehele kosmos over als een bezit dat bij hem als erfgenaam past. Daarom gehoorzaamde elk element aan hem als een heerser, veranderde het van karakter en volgde zijn bevel op. […] Wat verder? Had Mozes niet een nog groter genot van de gemeenschap met de vader en schepper, omdat hij dezelfde titel waardig geacht werd? Hij werd immers god en koning van het geheel volk genoemd. Er wordt verteld dat hij de duisternis binnenging, waar God was. Dat wil zeggen dat hij ging naar de ongeziene, onzichtbare, onlichamelijke en archetypische essentie van dat wat is en hij nam waar wat voor een sterveling niet waar te nemen is.

Mozes is zowaar “god en koning,” en was genaderd tot de Ongenaakbare. Ook de rabbijnse traditie kent dit. In Pesiqta de Rav Kahana (5e – 6e eeuw met oudere kern) lezen we, naar aanleiding van het vers uit Deuteronomium: “Dit is de zegen die Mozes, de godsman (Isj ha-elohim), uitsprak,” dat Mozes een man (isj) was toen hij de berg Sinai opklom, en een god (elohim) was toen hij er van afdaalde. Trouwens, niet alleen Mozes maar ook anderen werden wel vereenzelvigd met de ‘Engel van de Heer’: Adam, Henoch natuurlijk, Melchisedek, Michaël en ook Jezus. Het waren allemaal ‘mensen’ die als middelaars dicht bij een goddelijke status kwamen, of die ook bereikten. Volgens Ezechiël Tragicus was Mozes zo’n goddelijk persoon.

Share This